Draaimolens waren de eerste kermisattracties die werden gemechaniseerd.
Draaimolens hebben over de hele wereld andere namen. In Duitsland worden ze Karussels en Reitschule genoemd, in Engeland heten ze gallopers en roundabouts, in Frankrijk carrousels en manèges (de chevaux de bois), in Oostenrijk Ringelspiel en in de Verenigde Staten whirligigs. De ontwikkeling van de draaimolen heeft zowel een oosterse als Europese variant. Niemand weet precies waar of wanneer de eerste draaimolen er was. Op een Byzantijns reliëf van rond het jaar 500 zijn acrobaten, beren en goochelaars te zien die kijken naar mensen die in manden rond een mast draaien. Op een tekening uit het begin van de 17de eeuw zijn dan weer verschillende Turkse draaimolens, alsmede een primitief soort reuzenrad en andere attracties te zien. Er wordt gezegd dat het woord carrousel afkomstig is van carrosello (hetgeen ‘kleine oorlog’ betekent). Dat was in Italië een ruiterwedstrijd. De oorsprong kan nog ouder zijn als je er van uitgaat dat die ligt in het Arabische kurradsch (een spel met paarden). In elk geval kwam deze vorm van vermaak terecht aan het hof van de Franse koning Karel VII. Daar werd het woord caroussel geïntroduceerd. De attractie werd er met veel pracht en praal gepresenteerd. Le Grand Carrousel, in 1662 ontworpen door Lodewijk XIV, trok op het plein tussen de Tuileries en het Louvre duizenden belangstellenden. De naam van dit plein, Place du Carrousel, herinnert hier nog aan.
Tijdens toernooien waren de paarden vroeger schitterend uitgedost. Draaimolenbouwers lieten zich daardoor eeuwen later bij het maken van hun decoraties graag inspireren. De Fransen voegden aan de attractie het element van ringsteken toe. Jonge Franse edelen oefenden vroeger door te proberen lansen door ringen te steken terwijl ze zaten op houten paardenlijven die op een draaiend platform waren bevestigd. Dit praktische apparaat ontwikkelde zich al snel tot een populair tijdverdrijf. Plaatselijke ambachtslieden begonnen hun eigen modellen te bouwen. De draaimolen sprak zowel de adel als de burgers aan. Rond 1800 had deze nieuwe vorm van vermaak zich over heel Europa verspreid. Het formaat en het gewicht werden beperkt door de krachtbron. Meestal was dat een paard, een muilezel, een man of zelfs maar een kind. Frederick Savage was in 1866 de eerste die een draaimolen door stoom liet aandrijven. Hij vond een draagbare stoommachine uit die het mogelijk maakte de carrousel tegelijkertijd te laten draaien en de beesten erop op en neer te laten gaan.
Hugo Haase was de eerste die attracties op elektriciteit liet werken. Dat was rond 1881. Aan het eind van de 19de eeuw werden er steeds meer nieuwe snufjes aan draaimolens toegevoegd, maar de basis is hetzelfde gebleven en tot op de dag van vandaag zeer populair.